Verklarende woordenlijst

Abstract expressionisme

Een stroming binnen de Amerikaanse schilderkunst die zich in de jaren veertig in New York heeft ontwikkeld. De abstract expressionisten gebruikten steevast grote doeken waarop ze de verf snel en krachtig aanbrachten; vaak met behulp van grote kwasten, maar soms ook door de verf direct over het doek te laten druipen of er tegenaan te smijten. Die expressieve wijze van schilderen werd vaak van minstens zo groot belang geacht als het uiteindelijke schilderij. Beweging was belangrijk. Er waren evenwel ook abstract expressionistische schilders die het zuiver abstracte beeld op een ingetogener mystieker wijze benaderden. Niet al het werk dat door deze stroming werd voortgebracht was volkomen abstract ( De Kooning en Guston) of expressief ( Newman en Rothko), maar in alle gevallen ging men ervan uit dat een spontane aanpak van de kunstenaar de creativiteit van het onbewuste vrijmaakte. Vertegenwoordigers: Francis, Guston, Hofmann, Kline, Motherwell, Newman, Pollock, Rothko, Still.

Action Painting

Action Painting is een vorm van Abstract-expressionisme. Zoals in de actiekunst de lichamelijke, spontane uitdrukking op de voorgrond treedt, zo is ook voor de actieschilderkunst de handeling van het aanbrengen van verf, het aanbrengen van verf als handeling zelf, van algeheel belang. De kunstenaar gaat niet uit van een vooropgezet plan, maar laat zich leiden door een toevallige inspiratie. De schilderijen ontstaan schilderend, en het eindresultaat is als het ware een documentatie van handelingen. De werken zijn meestal non-figuratief en groot van formaat. Het begrip Action-painting werd geïntroduceerd door de Amerikaanse kunstcriticus Harold Rosenberg. Kenmerkend voor de actieschilderkunst is de slinger- en druptechniek ( dripping-painting) waarmee de kunstenaar de verf onmiddellijk op het doek aanbrengt, zodat een abstract structuurgeheel van gebroken lijnen en vlekken ontstaat. Vertegenwoordigers: Hofman, De Kooning, Motherwell, Pollock.

Art Informel

Het Franse woord ‘informel’ dient in dit verband eerder als ‘vormloos’ dan als informeel te worden opgevat. In de jaren vijftig zochten kunstenaars van deze stroming naar een nieuwe manier om beelden te scheppen zonder gebruik te maken van herkenbare vormen, zoals hun voorgangers dat hadden gedaan (zie kubisme en expressionisme). Hun streven was erop gericht de geometrische en figuratieve vormen op te geven en een nieuwe artistieke taal te ontdekken. Ze bedachten vormen en werkwijzen die al improviserend ontstonden. Het werk van de art-informelkunstenaars is uiterst gevarieerd, maar komt overeen in de toepassing van de vrije penseelvoering en de dikke lagen verf. Evenals het abstract expressionisme dat zich in dezelfde tijd in Amerika ontwikkelde, is art-informel een zeer ruime begripsaanduiding waaronder zowel figuratieve als non figuratieve schilders gevat kunnen worden. Hoewel de stroming hoofdzakelijk in Parijs was gecentreerd, reikte zijn invloed over heel Europa en met name in Spanje, Italië en Duitsland. Vertegenwoordigers: Burri, Fautrier, Hartung, Riopelle, Tàpies, Wols.

Art Nouveau

Een Franse term die “nieuwe kunst” betekent. Art Nouveau was een decoratieve stijl in de Bouwkunst en de binnenhuisarchitectuur die in de jaren tachtig van de negentiende eeuw in Europa en de Verenigde Staten ontstond en van ingrijpende invloed was op de beeldende kunst en vormgeving. De stroming werd getypeerd door gestileerde, golvende lijnen en krommingen en organische vormen zoals ranken en bladeren. De schilderkunst van de Art Nouveau wordt gekenmerkt door de overdadige dessins en elegante vrouwenfiguren met lang golvend haar (bijv. Klimt). Het verfijnde grafische werk van Aubrey Beardsley vertegenwoordigt de neiging tot eroticisme en decadentie terwijl de ontwerpen van Charles Rennie Mackintosh een meer ingehouden, geometrische variant laten zien. De stijl werd naar nieuwe, verbeeldingrijke hoogten gevoerd door de Spaanse architect Antonio Gaudi. Vertegenwoordigers: Klimt, Munch, Schiele.

Arte Povera

Het begrip Arte-povera [arme kunst] werd in 1967 door de Italiaanse kunstcriticus Germano Celant geïntroduceerd en is een richting van de moderne kunst die teruggaat naar eenvoudige en minimale grondvormen en die voor een deel overgangen vertonen naar de concept art of land art. Arte-povera is een beeldende kunstvorm met waardeloze goedkope materialen die nieuwe identiteit krijgen door de eigen bewerking van de kunstenaar. De term arte povera verwijst naar de materialen die kunstenaars in hun installaties, assemblages en performances gebruikten. Bijvoorbeeld verguld brons, koper, graniet, lood, terracotta, neon, staal. Maar ook takken, boomschors, wol, vodden en zelfs plastic, groenten en levende dieren. Veelal voor kunst ongebruikelijke materialen.
De term Arte Povera doet vermoeden dat het om ‘arme’ ofwel goedkope materialen gaat. Maar dat is niet waar. Ook gaat het niet om kunstenaars uit arme gebieden van Italië. De meeste van hen komen zelfs uit het in industrieel opzicht welvarende Noord-Italie. Met hun werk stellen zij niet de situatie van de armen aan de orde, maar benadrukken zij abstracte begrippen, zoals morele verloedering van een maatschappij die wordt gedreven door de vergaring van materiele rijkdom. Hoewel Arte Povera kenmerkend voor Italië is, zijn er qua onderwerpen en interessen ook andere kunstenaars in dit verband te noemen: Joseph Beuys , Anish Kapoor en Tony Gragg.
Ondanks de enorme verschillen tussen de kunstenaars en materialen zijn er een aantal gemeenschappelijk uitgangspunten te ontdekken:
– de nadruk ligt op het proces (dat aan het werk voorafgaat of op het werk volgt). De persoon van de kunstenaar kan geïntegreerd in het werk worden opgenomen.
– Het gebruik van ongewone materialen, arme materialen, die voortkomen uit de natuur; bladeren, boomstammen, water uit een beek, de eigen huid.
– Het gebruik van eenvoudige vormentaal.
– Het oplossen van onderscheid tussen de verschillende genres in de kunst.
– De informele en levendig uitziende kunstwerken werden wel gezien als een reactie op de toenemende abstrahering en verontmenselijking van met name de Amerikaanse kunst van die periode.
Arte Povera een niet-verhalende kunst. Het gaat de kunstenaars er niet om nieuwe ideeën, verhalen of dingen toe te voegen aan de wereld, maar om verandering of herkenning van (vooral natuurlijke) dingen die er al zijn. Arte Povera is zo een kunststroming die werkelijkheid reduceert en begrijpelijker probeert te maken. Vertegenwoordigers zijn: o.a. Mario Merz, Kounellis, Pistoletto, Luciano Fabro, Gilberto Zorio, Penone, Paolini, Giovanni Anselmo, Cucchi en Chia.

Colour-field Painting

Een vorm van abstract expressionistische schilderkunst waarbij de nadruk meer lag op het gebruik van kleur dan op het krachtige gebaar als belangrijkste uitdrukkingsmiddel. Colour-field schilderijen worden gekenmerkt door grote vlakken met intense, volle kleuren. Het zijn enorme doeken die vaak monochroom zijn, slechts doorbroken door een of meerdere verticale lijnen. De kleuren zijn met toetsen van het penseel opgebracht en geven dus levendigheid aan de grote vlakken. Een toeschouwer die voor het doek staat voelt zich omsloten door de kleur: de zogenaamde field-ervaring. In tegenstelling tot het abstract expressionisme waar beweging zo belangrijk is gaat het bij deze schilders om bezinning en meditatie. Het feit dat deze schilders de expressieve penseelvoering verwierpen bereidde mede de weg voor de post-painterly abstraction en het minimalisme. Vertegenwoordigers: Rothko, Newman, Still

Conceptuele kunst

Bij deze stroming staat het idee centraal dat het ‘concept’achter het werk van groter belang is dan de technische vaardigheid van de kunstenaar die het werk maakt. Conceptuele kunst werd een belangrijk internationaal fenomeen in de jaren zestig in zeer uiteenlopende verschijningsvormen. De ideeën of concepten kunnen op tal van manieren worden doorgegeven met behulp van bijvoorbeeld tekstmateriaal, plattegronden, diagrammen, film, video’s, foto’s en performances. Het uiteindelijke werk kan zowel in een galerie worden tentoongesteld, als ook voor een speciale locatie worden ontworpen. In sommige gevallen wordt het landschap zelf een geïntegreerd onderdeel van het werk van de kunstenaar; bijvoorbeeld bij de Land-art van Long of de environment-sculpturen van Christo. De ideeën zoals die door de conceptuele werken worden uitgedragen zijn ontleend aan de filosofie, het feminisme, de psychoanalyse, filmindustries en het politiek activisme. Het idee van de conceptuele kunstenaar als maker van ideeën en niet zozeer van objecten ondermijnt de traditionele opvattingen omtrent de status van kunstenaar en het kunstobject. Vertegenwoordigers: Art & Language, Burgin, Christo, Kabakov, Kawara, Long, Merz, Weiner.

Construtivisme

Een abstracte stroming, in het leven geroepen in 1913 in Rusland. Het constructivisme rekende af met alle traditionele ideeën omtrent kunst door daar de opvatting tegenover te stellen dat kunst de vormen en processen van de moderne technologie zou moeten nabootsen. Een sculptuur werd “geconstrueerd”met behulp van moderne industriële materialen en technieken, terwijl in de schilderkunst abstracte vormen werden aangewend om structuren te creëren die deden denken aan machinetechnologie. Hoewel het zuivere constructivisme slechts gedurende de eerste jaren van de revolutie in Rusland en vogue was, zijn de doelstellingen en idealen in de hele twintigste eeuw door allerlei kunstenaars nagestreefd. Vertegenwoordigers: Gabo, Lissitzky, Moholy-Nagy, Rodchenko, Tatlin.

Impressionnisme

Een beweging in de schilderkunst, ontstaan in Frankrijk in de jaren zestig van de 19de eeuw. Impressionistische schilders werden gefascineerd door de relatie tussen licht en kleur. Ze schilderden met onvermengde verf en in een vrije penseelvoering. Ook in de stofkeuze toonden ze zich radicaal: ze gingen de vertrouwde historische, religieuze of romantische thema’s uit de weg en concentreerden zich op landschappen en taferelen uit het dagelijks leven. De aandacht voor de kleur ging omwille van de kleur zelf voorop staan en dat effende de weg voor abstractie. Vertegenwoordigers: Bonnard, Corinth, Liebermann, Monet, Utrillo

Lyrisch abstract

Een stijlbegrip voor een stroming in de abstracte schilderkunst waarbij de individuele uitdrukkingsvormen in penseelhandschrift en expressieve kleurgeving domineren. De in Frankrijk ontstane Lyrisch abstractisme vond vlak na de oorlog met het oprichten van Salon des Réalités Nouvelles en speciaal met de tentoonstelling L’Imagninaire in de Parijse Galerie du Luxembourg zijn oorsprong. Ter illustratie voor deze grote tentoonstelling, waaraan o.a. Mathieu, Wols, Hartung, Bryen, Riopelle en Atlan deelnamen, werd het begrip “abstraction lyrique” vermoedelijk voor het eerst door Mathieu gebruikt. Hoe we tegenwoordig ook over lyrisch abstractie mogen denken, gedurende het eind van de jaren veertig en in de jaren vijftig beheerste deze stijl beslist de Europese schilderkunst en iedere kunstenaar had zijn eigen versie van de oorspronkelijke stijl ontwikkeld. Bazaine bijvoorbeeld hield vast aan elementen die uit het kubisme waren afgeleid teneinde de band met de traditie in stand te houden. Opmerkelijk is ook het verborgen spel van natuurlijke vormen die , enigszins vermomd, op vergelijkbare wijze haar rol speelt in de composities van Manessier. Bijna naamgenoot Messagier daarentegen maakte soms schilderijen die leken op minder geslaagde versies van bepaalde landschappen van De Kooning. Capogrossi’s werk was onpersoonlijk en familie van een stuk nuttig pakpapier dat in elke stad te vinden is (Roland Penrose) terwijl dat onpersoonlijke nou niet direct het streven was van de Spaanse Kunstenaars. Het werk van de Spanjaarden toonden echter dezelfde zwakke plekken als dat van hun Parijse collega’s; de opgeblazen vormeloosheid, waarin de lyrische abstractie gemakkelijk verviel. Eén kunstenaar steekt met kop en schouders boven de rest uit: Antonio Tàpies. Wat ons tegenwoordig wantrouwig maakt ten opzichte van kunstenaars als Riopelle, Mathieu en Hartung, is de eentonigheid. Er lijkt geen enkele reden het ene werk boven het andere te verkiezen omdat ze eigenlijk allemaal hetzelfde zijn. Toch heeft deze ‘standaardisering’ van het product zeker bijgedragen tot het succes van de lyrische abstractie bij verzamelaars. Een van de oorzaken daarvan was dat veel kunstenaars een wijze van schilderen hadden ontwikkeld die zo direct herkenbaar was, dat de kunstenaar zelf tot thema van zijn schilderijen werd. Waren in de strekking kunstenaars te onderscheiden; er is een gemeenschappelijke lijn te herkennen, namelijk een die tussen het geometrische abstract van het minimalisme en het informele ligt. Vertegenwoordigers: Bazaine, Bissiere, Hartung,Manessier, Mathieu, Riopelle, Tàpies

Minimalisme

Een trend in de schilderkunst en de plastische kunst die zich gedurende de jaren zestig en zeventig vooral in Amerika heeft ontwikkeld. Zoals de naam al aangeeft is minimalistische kunst een tot zijn essentie teruggebrachte kunst. Zij is zuiver abstract, objectief en anoniem, ontdaan van iedere opsmuk of expressie. Minimalistische schilderijen en tekeningen zijn monochromatisch en dikwijls gebaseerd op mathematische rasterpatronen en lineaire matrixen. Dat neemt niet weg dat ze wel degelijk een gevoel van verhevenheid kunnen oproepen. Plastische kunstenaars bedienden zich van industriële processen en materialen zoals staal, perspex en zelfs tl-buizen om geometrische vormen te maken, vaak in serieproductie. Deze sculpturen hebben niets illusionistisch en moeten het enkel hebben van de directe ervaring die de kijker bij het zien van het werk ondergaat. Het minimalisme kan worden beschouwd als een reactie op de emotionaliteit van het abstract expressionisme, dat gedurende de jaren vijftig in de kunst de boventoon had gevoerd. Vertegenwoordigers: Andre, Flavin, Judd, LeWitt, Mangoid, Morris, Ryman, Serra.

Neo (-dada,-expressionisme)

Het voorvoegsel ‘neo’ (nieuw) wijst op de wederopbloei van een eerdere trend of opvatting. Zo werd aan het eind van de jaren vijftig de term neoclassicisme gebruikt ter typering van het werk van kunstenaars die teruggrepen op de oorspronkelijke dada-beweging en object trouvés in hun schilderijen incorporeerden. De term neo-expressionistisch wijst op het weer opduiken van expressionistische kenmerken uit het werk van schilders uit de Verenigde Staten en Europa (met name Duitsland) in het begin van de jaren tachtig. Neo-expressionistische werken vertonen vaak een hoogst individuele signatuur en zijn over het algemeen met veel verve gemaakt. Vertegenwoordigers: (neo-dada) Rauschenberg. (neo-expressionistisch) Baselitz, Immendorf, Kiefer.

Nouveau Réalisme

Een Europese stroming die opkwam aan het eind van de jaren vijftig en zich toelegde op het gebruik van alledaagse voorwerpen en objects trouvés voor esthetische doelen. De term ‘nieuw realisme’werd in 1960 in het leven geroepen door de Franse kunstcriticus Pierre restany. De hoofdzakelijk in Frankrijk gevestigde nouveaux réalistes ageerden tegen de schilderkunst van het grote gebaar zoals de abstract expressionisten die voorstonden en produceerden werk dat was geworteld in de gewaarwordingen van de eigen tijd. Oppervlakkig bezien heeft het werk van de nouveaux réalistes veel weg van pop-art, maar het staat in feite dichter bij de assemblages van Rauschenberg en Dine, waarbij ook de nadruk ligt op het gebruik van wegwerpmateriaal voor poëtische doeleinden. Vertegenwoordigers: Arman, César, Klein, Spoerri.

Post-Painterly Abstraction

Een term, in 1064 in het leven geroepen door de Amerikaanse criticus Clement Greenburg. Hij gebruikte die ter typering van het werk van schilders die de lijfelijke, emotionele stijl van het abstract expressionisme vaarwel hadden gezegd. Deze schilders verwierpen de vloeiende en spontane stijl van hun voorgangers; ze smeerden het pigment op het doek om elk spoor van penseel of kwast te vermijden. Vertegenwoordigers: Frankenthaler, Louis, K. Noland, Olitski.

Situationisme

Een radicale beweging, ontstaan in 1057 in Europa, die zich de omverwerping van het establishment te doel stelde. De Situationisten hadden niet één uniforme stijl, maar deelden wel bepaalde opvattingen, zoals de overtuiging dat het kapitalisme kijkers had veranderd in passieve consumenten van mediabeelden. Om deze tendens tegen te gaan namen ze hun toevlucht tot drastische methoden om de mensen te dwingen op een nieuwe manier naar kunst te kijken. Ze streefden naar een kunst die de oude ideeën omtrent auteursschap omver zou werpen en de gevestigde kunstinstellingen ter discussie zou stellen. Hun ideeën werden voornamelijk verspreid middels de geschriften van Guy Debord. De Situationisten, die zich vooral tijdens de algehele revolte van 1968 in Frankrijk roerden, wisten veel kunstenaars ertoe te brengen zich in hun werk te richten op de relatie tussen politiek, ideologie, kunst en maatschappelijke verandering. Vertegenwoordigers: Burgin, Jorn,Kruger

Spazialismo

Een avant-garde beweging, in het leven geroepen in 1946 door de Italiaanse kunstenaar Fontana. Hij probeerde zich te bevrijden van het tweedimensionale vlak van een schilderij e maakte, in zijn pogingen werkelijke ruimte in zijn werk aan te brengen, gaten of kerven in het doek. Vandaar de naam ‘spazialismo’ wat zoveel als ‘ruimte-isme’betekent. In 1947 maakte hij een zwarte, ruimtelijke environment; een geheel zwart geschilderd vertrek; een vorm van installatiekunst avant-la lettre. Zijn cerebrale benadering van het schilderen maakte mede de weg vrij voor de conceptuele kunst. Vertegenwoordigers: Fontana.

De Stijl

De naam van zowel een beweging als een tijdschrift, opgericht in 1917 door de Nederlanders Van Doesburg en Mondriaan. Zij vonden dat de kunst diende te streven naar volledige harmonie, orde en helderheid, in een doorlopend proces van verfijning. Het werk van de Stijl was derhalve streng en geometrisch van opzet, met veel rechthoekige vormen. het was opgebouwd uit de meest eenvoudige elementen; rechte lijnen en zuivere, primaire kleuren. De doelstellingen van de beweging waren filosofisch van aard en geworteld in het idee dat kunst op de een of andere manier het mysterie en de ordening van het universum diende te weerspiegelen. Na de dood van Van Doesburg in 1931 kwam er een einde aan de beweging, die van diepgaande invloed is geweest op de architectuur en de kunst in Europa. Vertegenwoordigers: Van Doesburg, Mondriaan.

Suprematisme

Een beweging, opgericht in 1915 door de Russische schilder Malevich. Binnen een volkomen abstracte kunst stond hij de suprematie van geometrische vormen voor. De weergave van zowel voorwerpen als ideeën werd volkomen afgewezen. Malevich’ opvattingen werden het best samengevat in zijn beroemde schilderij: Wit Vierkant. Een wit vierkant op een witte achtergrond, dat het embleem van de beweging zou worden. Hoewel de beweging in Rusland weinig weerklank vond en slechts een beperkt aantal navolgers kende, had zij wel veel invloed op Kandinsky en de schilders van de Stijl. Wat betreft het streven de kunst terug te brengen tot zijn essentie loopt de beweging vooruit op het minimalisme. Vertegenwoordigers:Kandinsky, Lissitzky, Malevich.

Tachisme

Een stroming in de Europese schilderkunst in de jaren vijftig en zestig, die een onderdeel vormde van de Art-Informel beweging. De naam is afgeleid van het Franse woord ‘tache’ dat vlek betekent, en werd voor het eerst gebruikt in het begin van de jaren vijftig door de Franse kunstcriticus Charles Estienne. Het Tachisme staat dicht bij het abstract expressionisme en wordt gekenmerkt door de abstracte kleurvlekken die op het doek zijn aangebracht en die domineren. In Vlaanderen noemen ze Tachisten ook wel “vlekkeniers”. Vertegenwoordigers: Michaux, Pollock, Riopelle, Soulages, Wols.