Werk en achtergrond

Mariëtte over Mariëtte

Al zo lang ik mij kan herinneren ben ik op een of andere manier met kunst bezig.
Als zesjarige wist ik dat ik “later” naar de kunstacademie zou gaan. Waarschijnlijk heb ik ooit eens iemand over de kunstacademie horen praten, en heb toen bedacht dat wanneer ik goed wilde leren tekenen, ik daar heen moest. Waarom ik dat toen al wilde is me een raadsel, want kunst stond niet hoog op de huiselijke agenda. Ik kon echter niet wachten tot ik “groot” was en nam het heel serieus. Op mijn veertiende sloot ik me aan bij de plaatselijke kunstenaarsgroep ( waarschijnlijk liep ik ze alleen maar voor de voeten, maar het voelde geweldig) en op mijn zestiende deed ik dan toch het langverwachte toelatingsexamen aan de kunstacademie . Ik slaagde, maar kreeg tegelijk te horen dat ik een jaar moest wachten omdat ik niet de vereiste leeftijd had. Een jaar bij huis “hangen” of zomaar een jaartje een pretopleiding volgen kwam thuis “nicht im frage”. Daar vaders wil in die tijd wet was, en in de wetenschap dat ik ook nog af moest maken waar ik aan begon (een studie in de jeugdpedagogiek), is er van de droom geen klap over gebleven. Kort na mijn opleiding trouwde ik en werd moeder. Moeder zijn van twee heerlijke kinderen, waarvan een autistisch, betekende een aanslag op mijn persoonlijke identiteit, en de kunst was dan ook ver te zoeken.

Toch bleef het knagen; dat gevoel van spijt, over gemiste kansen. Achteraf weet je natuurlijk nooit hoe dingen gelopen zouden zijn…, maar toch.
Toen ik tenslotte ziek werd en wist dat ik vroeg of laat invalide zou worden, was het roer wel snel omgegooid. Ik had een heftig leven. Ik heb kanker, dat erge wat meisjes kunnen overkomen, en nog wat shit overleefd, en nu zou ik ook nog gehandicapt raken: ik vond dat het hoog tijd werd te doen wat ik ging doen; een opleiding aan de kunstacademie.
Nou, dat was een schok. Niet alleen zat ik als moeder van bijna middelbare leeftijd tussen kinderen die net zo oud waren als de mijne; erger was dat al het werk waar ik tevreden over was (en dat was ik niet zo snel) de grond in werd geboord, en ik voor mijn gevoel terug moest naar het krasniveau van de peuterspeelzaal. Nù snap ik dat natuurlijk wel; ik had veel te leren, vooral door los te laten en te kijken, maar zuur vond ik het evengoed wel. Als je, zoals ik, op oudere leeftijd aan zo’n opleiding begint, en je hebt bovendien al redelijk wat bagage, dan laat je anderen ook minder snel aan je kneden.
Toen echter, na een jaar, bleek dat ik het toch echt vanwege mijn fysieke gesteldheid, niet vol kon houden, was dat voor mij een persoonlijk drama. Niet alleen was er weer een droom aan flarden, want ik heb er ondanks mijn onkneedbaarheid toch wel heel erg veel geleerd, ik viel ook emotioneel in een gat. Zo goed en kwaad als het in het begin ook ging, ik heb de draad weer opgepakt en ben voorzichtig als beeldend kunstenaar bezig gegaan. Ik verkeerde ook in de gelukkige omstandigheid een man te hebben die de boterhammen verdient en mij m’n ding gunt. Stapje voor stapje ben ik in de rol van beeldend kunstennaar gegroeid. Wat meehielp was natuurlijk ook de publieke opinie, die, ik werkte toen vooral aan portretten van emoties, lovend was.

Emoties overbrengen was en is nog steeds belangrijk voor me, en dan met name die emoties die we niet zo prettig vinden. Ik vind de wereld te hard, de mensen te onverschillig naar elkaar toe, en ik wil toch op zijn minst een heel klein beetje laten zien wat er in veel mensen opgesloten kan liggen.
Ik wilde steeds een soort dialoog met mezelf aangaan op dat doek, en vond in de portretten niet voldoende respons meer. Ik zat te veel vast aan de voorstelling, aan het figuratieve. Ik zocht veel meer diepte en dat was voor mij toch het volledig abstracte.
Toch staan naar mijn gevoel mijn portretten niet zover af van mijn abstracte werk, in elk geval qua werkwijze niet. Ook hierin werk ik, net als in mijn abstracten, laag over laag en is het kleurgebruik in de meeste gevallen minimaal. Ik heb die techniek van de portretten de naam rubbed pastel meegegeven. Dit wil zoveel zeggen als vaag gemaakt. Ik werk laag over laag in krijt; tussendoor poets ik het letterlijk weg en breng weer een nieuwe laag aan. Een enkele maal fixeer ik tussendoor. Dit proces herhaalt zich zo’n 20-40 keer. Er gaan, hoewel je dat niet zou zeggen, verschillende kleuren over elkaar heen en het eindresultaat, dat heel monochroom is, heeft zich dan naar mijn mening verdiept.

Aangezien ik echter nauwelijks een bodem had wat betreft de moderne kunst, en een beperkte deeltijdopleiding me het hoogst haalbare leek in lichamelijke zin, heb ik voor de Vrije Academie gekozen.
Toen mijn docente na een jaar zei dat ik wel voor het eindexamen kon gaan, kwam dat voor mij te vroeg. Ook al heeft ze verschillende keren gezegd dat ze niet wist wat ze me moest leren, de feedback die ik van haar kreeg, was heel erg belangrijk. Ik had het nodig om een drempel over te komen, om oude patronen los te laten en nieuwe inzichten te krijgen.
Mijn docente gaf me alle ruimte om me dat jaar daarna al vast op het eindexamen voor te bereiden zodat ik in het derde jaar aan de academie wel zover was dat ik het alleen kon. Ik was nu zeker genoeg van eigen kunnen.

“Ik ben voortdurend bezig met het idee om een verhaal te presenteren zonder het te vertellen, zodat psychologie, angst, dood en liefde op de meest directe wijze kunnen worden gepresenteerd”.
Anish Kapoor.

Toen een docent aan de academie mij dit citaat onder m’n neus drukte, wist ik dat dit precies is, waarmee ik bezig was. Ik presenteer óók verhalen, maar woordenloze, en wie ze wil lezen, moet moeite doen. Ik weet dat het werk dat ik maak nooit veel mensen zal aanspreken; (het is niet het meest toegankelijke werk) voor een groot gedeelte ook omdat ze de taal niet kennen. Maar als men de moeite neemt zich in die taal te verdiepen, komt men misschien mijn verhaal, en dat van zichzelf tegen.

In mijn atelier zijn abstracte schilderijen van een imaginaire reis te bekijken. Je kunt mee op een reis in een achteraf land dat artistiek beetje bij beetje moet worden ontgonnen, en waarin gevoelens en emoties zijn verborgen. Mijn werk is ruimtelijk opgezet en hoewel het gebruik van kleuren minimaal: toch coloristisch. Rust en balans zijn kernwoorden van dit minimalistisch ogende werk.

Alle abstracten zijn geschilderd op linnen van een zware kwaliteit en gespannen op aluminium/houten ramen.
De gebruikte materialen zijn meestal acryl of olieverf, heel soms vermengd en/of ondersteund met materieachtige elementen.
Er is laag over laag geschilderd; er wordt veel verborgen, verstopt. Af en toe is er wat weggepoetst, gekrast en vluchtig gewerkt, en komen onderliggende lagen als nauwelijks geheelde wonden naar boven. Als rode draad lopen er vaak, schijnbaar doelloos, “draden” door het doek. Soms een enkele lijn; zonder begin, zonder eind. Dan weer met elkaar verbonden, als kader zelfs.

Ik stel me kwetsbaar op door de confrontatie met mijn innerlijke wereld op het doek te laten zien, maar het kost ook tijd en lef om een stukje in het achterland mee te reizen.
De doeken hebben bewust geen titels. De ene reiziger is immers de andere niet. Wat de een als prettig ervaart, voelt voor de ander misschien bedreigend en wat die ander disharmonisch vindt kan die ene wel juist als “in balans” ervaren. Hoe dan ook; mijn achterland is voor veel mensen het achterland en in wezen universeel.

Ik werk niet gemakkelijk, bijna elke keer is het weer een worsteling. Voordat ik daadwerkelijk de confrontatie met het lege doek aanga, is er al een heel proces aan vooraf gegaan. Ik maak beelden in mijn hoofd, die daar soms maanden kunnen spoken tot ze zich voldoende hebben genesteld. Als dat gebeurt, verkeer ik, lichamelijk in een staat van onrust: ze moeten eruit, die beelden. Ik maak nooit schetsen of aantekeningen want ik wil het innerlijke proces niet verstoren: wat er zich tenslotte aandient, is goed.
Ik werk vanuit een gestuurd toeval. Door goed te luisteren naar wat mijn beeldtaal me zegt, weet ik wat ik moet doen, en hoe. Zo ontstaat een schilderij dat voor een deel zelf bepaald hoe het worden wil. We zijn “gedwongen” vriendjes van elkaar, en maken ook ruzie.
Ik verf met kwasten en rollers, meng de verf soms op het doek, en soms niet. Soms werk ik strak en gestructureerd, bijna liefkozend, soms juist hard, ruw en bozig. Mijn werk moet wel stil en geluidloos zijn. Ik haal soms dingen weg omdat ze lawaai maken, bij alles wat een beetje de figuratie nadert, wil ik dat het stil is. Ik heb een versluierende manier van werken.
Ik doe geen concessies ten aanzien van mijn werk, aan niemand, take it or leave it. Ik luister wel naar kritiek, denk erover na, en bepaal daarna of het goed voor me is om is er wat mee te doen of niet.
Het resultaat; het verhaal hangt aan de muur. Ik heb er dan afstand van genomen, heb het losgelaten, en laat het over aan een ander. Aan die ander de keus te luisteren naar dat verhaal. Je mag mee in het Achterland, maar het hoeft niet.